Het Paardentramnet

Uit de Railatlas van Rotterdam; 140 jaar tramrails in de Maasstad (T. van Eijsden/uitgave De Alk)

De paardentram van de RTM

Het begin van het stedelijk railvervoer in Rotterdam lag in 2014 maar liefst 140 jaar achter ons. In 1879 werden door de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij (RTM) de eerste paardentramlijnen in gebruik genomen. Rotterdam had als stad uiteraard nog lang niet die omvang als nu het geval is en het vervoersgebied van deze paardentramlijnen omvatte dan ook nauwelijks meer dan wat we nu de stadsdriehoek noemen. De lijnen hadden een spoorwijdte van 1435 mm (normaalspoor).

De gemeente Delfshaven werd in 1886 bij Rotterdam gevoegd, terwijl de gemeente Kralingen in 1895 werd geannexeerd. De gemeentegrenzen van Overschie en Hillegersberg (welke gemeenten pas in 1941 bij Rotterdam werden gevoegd) strekten zich rond de eeuwwisseling nog uit tot de (huidige) Schieweg en de West-Blommerdijkscheweg (Beukelsdijk), respectievelijk de Oost-Blommersdijkscheweg (Bergweg).

Uiteraard ontwikkelde het paardentramnet zich in de daarop volgende jaren aanzienlijk met lijnen naar onder meer het Noordereiland, het Maasstation, Delfshaven, de Provenierswijk en het Oude Noorden.

De in 1882 in gebruik genomen paardentramlijn van de Schielandsche Tramweg Maatschappij van en naar de gemeente Hillegersberg was als smalspoorlijn (spoorwijdte 1000 mm) geheel geïsoleerd ten opzichte van de rest van het normaalsporige paardentramnet van de RTM en zou dit tot de overname door de RETM in 1919 en elektrificatie in 1922/1923 blijven.

Volledigheidshalve dient nog de paardentramlijn van de Schiedamsche Tramweg Maatschappij in de gemeente Schiedam te worden genoemd. Deze smalspoorlijn (spoorwijdte 1000 mm) was in bedrijf van 1902 tot 1918, doch werd vanaf 1911 door de RTM geëxploiteerd.

Het paardentramnet in 1881 (naar een tekening van ir. H.P. Kaper