4.9 Feijenoord

4.9 FEIJENOORD

De deelgemeente Feijenoord is vernoemd naar het vroegere eiland Fijenoord, later Feijenoord, dat ingeklemd lag tussen de Nieuwe Maas en het Zwanegat. Het Zwanegat liep, voordat halverwege de 19de eeuw de Spoorweghaven werd gegraven, van de zuidwestelijke punt van het Noordereiland naar het Mallegat. Behalve de wijk Feijenoord maken ook de wijken Bloemhof, Afrikaanderwijk, Hillesluis, Katendrecht, Vreewijk en het Noordereiland deel uit van de huidige deelgemeente.Tot het einde van de 19de eeuw was Feijenoord niet meer dan een drassige polder omgeven door een hoge dijk. Het land was vernoemd naar de middeleeuwse baljuw Feye.
De toenemende handel en de industrialisering in die periode deed een aantal bankiers, ondernemers en industriëlen grote druk uitoefenen op het Rotterdamse gemeentebestuur om dit gebied op te kopen en te ontwikkelen tot een spoorweg- en havengebied. In 1868 besloot het gemeentebestuur tot de bouw van de Maasbruggen en het graven van de Koningshaven, maar vooralsnog bleek dit technisch en financieel onhaalbaar. In december 1872 ging het bestuur overstag en delegeerde de exploitatie van het ‘Plan Feijenoord’ aan een speciaal voor dit doel opgerichte ontwikkelingsmaatschappij, de Rotterdamsche Handels Vereeniging (RHV) met de later beruchte Lodewijk Pincoffs als directeur. De RHV verplichtte zich contractueel alle werkzaamheden te realiseren: het graven van binnenhavens en een Entrepôthaven, de aanleg van kademuren en de bouw van pakhuizen, loodsen, werkplaatsen en silo’s. In ruil daarvoor zou de RHV kunnen beschikken over de erfpacht van het Noordereiland en Feijenoord. In het voorjaar van 1873 ving de RHV met haar werkzaamheden aan.

In ras tempo werden de Spoorweghaven en de Entrepôthaven ontwikkeld en in 1877 kwamen de Maasbruggen gereed. Rond de eeuwwisseling kwamen de Rijnhaven en de Maashaven gereed. Deze ontwikkelingen vroegen natuurlijk ook om arbeiders, die in groten getale vanaf het platteland, vooral uit Brabant en Zeeland, werden aangetrokken. Voor de huisvesting van deze havenarbeiders werden in een enorm tempo nieuwe woonwijken, zoals Bloemhof, de Afrikaanderwijk en Hillesluis gebouwd. Bij de bouw van de woningen hield de gemeente Rotterdam zich afzijdig, waardoor speculanten vrij spel hadden en de kwaliteit van de woningen laag was. Een groot deel van deze woningen is na 1970 afgebroken en vervangen door nieuwe sociale woningbouw.
Feijenoord was de eerste uitbreidingswijk van Rotterdam ten zuiden van de Nieuwe Maas. De wijk wordt begrensd door de oude haventerreinen van de Binnenhaven in het westen en de Konings¬haven en de Nieuwe Maas in het noorden en oosten.
De stedenbouwkundige opzet van de wijk Feijenoord is met name bepaald door de ligging van de havens en de loop van de spoorlijnen. Feijenoord wordt doorsneden door de spoorlijn Rotterdam – Dordrecht. Daarnaast bepaalden de spoorlijnen naar de haventerreinen het verloop van een groot aantal straten.

Zoals bekend waren de wijken Feijenoord, Afrikaanderwijk en Katendrecht ‘vergeven’ van spoorrails, die vanaf het rangeerterrein IJsselmonde en dat langs de Spoorweghaven met straatsporen en raccordementen met de vele havens waren verbonden. (Op deze tekening zijn overigens alleen de voornaamste straatsporen en aansluitingen weergegeven). Op 2 mei 1898 opende de RTM de eerste interlokale stoomtram naar de eilanden, de lijn van de Rosestraat naar de Hoekse Waard. Op 1 oktober 1904 volgde een lijn naar Voorne en Putten, die op de Hillesluis aftakte van de lijn naar de Hoekse Waard. Deze RTM stoomtramlijnen waren aangelegd met smalspoor (1067 mm).

Op 13 april 1908 verscheen ook op de linker Maasoever de elektrische tram en wel in de vorm van een van het overige tramnet op de rechter Maasoever geïsoleerd liggende tramlijn 9. Deze tramlijn voerde, aanvankelijk grotendeels enkelsporig vanaf de Grientweg in Charlois via de Wolphaertsbocht, de Boergoenschestraat, de Brielschelaan, de Maashaven o.z. Paul Krugerstraat en de Parallelweg naar een eindpunt bij de Wilhelminakade. daar kon worden overgestapt op een veerdienst naar het Prinsenhoofd op het Noordereiland, waar men aansluiting had op tramlijn 2 Op 3 oktober 1921 kreeg deze lijn versterking van een tweede tramlijn. Deze lijn 13 vertrok ook vanaf de Wilhelminakade doch takte op de Paul Krugerstraat bij de Pretorialaan van lijn 9 af en reed langs het Afrikaanderplein naar de Hillevliet met een eindpunt op de Groene Hilledijk.

De grootste veranderingen in het tramnet in dit gebied voltrokken zich nadat de verbinding met het tramnet op de rechter Maasoever tot stand kwam. Op 23 oktober 1926 werd lijn 9 opgeheven en werd tramlijn 2 vanaf het Noordereiland via een hulpbrug in het verlengde van de Oranjeboomstraat naar ‘zuid’ doorgetrokken. Via de Oranjeboomstraat werd de Kreekweg (de latere Stadionweg) bereikt, waar via een viaduct het rangeerterrein IJsselmonde werd gekruist om via de Varkenoordschebocht op de Hillesluis te geraken. Hier splitsten de nieuwe tramsporen in een lijn 2 die via de Putschelaan aansloot op de bestaande tramsporen op de Brielschelaan en een lijn 12 die via de Beijerlandschelaan naar de kruising met de Hillevliet en de Randweg leidde, waar een keerlus was aangelegd. Deze keerlus was tot 1931 in gebruik als eindpunt voor respectievelijk de tramlijnen 12A, 9 en 19 en bleef nog tot 1966 in gebruik ten behoeve van omleidingen.

Randweg hoek Beijerlandselaan (boven), Groene Hilledijk (beneden), ca. 1925