De geschiedenis van busbedrijf M.E.G.G.A.

DE GESCHIEDENIS VAN BUSBEDRIJF M.E.G.G.A.

Uit de HVC Nieuwsbrief (najaar 2016)                                 * Paul Weyling

HET VERHAAL ACHTER DE FOTO

Een autobus van de ‘M.E.G.G.A.’(NV Maatschappij tot Exploitatie van Goede en Goedkope Autobusdiensten), die in de zomer van 1941 geparkeerd staat voor de ingang van de Herv. Dorpskerk aan de Kerklaan. Achter de bus van de Capelse onderneming een zogenaamde ‘dolly’, een tweewielige aanhanger waar op een houtgasgenerator is gemonteerd.

De foto van deze aflevering werd geschonken door de in de Capelle geboren en getogen Bets Koen-van Steenis (Elizabeth, 1933) uit Krimpen aan de Lek. Bets is de oudste dochter van buschauffeur Jan van Steenis en Letta Slingerland en woonde, vanaf haar geboorte tot haar huwelijk met Henk Koen (Hendrik, 1938) in 1961, in de Mauritsstraat. Oudere en oudbewoners van de Oude Plaats zullen zich haar ongetwijfeld nog herinneren van de melkwinkel van Hoogerwaard aan de Wilhelminastraat, waar zij in de jaren vijftig van de vorige eeuw met veel plezier achter de toonbank stond.

Het gaat om een bijzondere foto. Dit omdat foto’s van het dagelijks leven in Capelle onder de Duitse bezetting zeldzaam zijn. Te zien is een autobus van de ‘M.E.G.G.A.’(NV Maatschappij tot Exploitatie van Goede en Goedkope Autobusdiensten), die in de zomer van 1941 geparkeerd staat voor de ingang van de Herv. Dorpskerk aan de Kerklaan. Achter de bus van de Capelse onderneming een zogenaamde ‘dolly’, een tweewielige aanhanger waar op een houtgasgenerator is gemonteerd. De ketel van dit ‘rijdende gasfabriekje’ wordt op het moment van de opname door de vader van Bets gevuld met kleine blokken hout. Bets zelf, toen ongeveer acht jaar oud, poseert voor de rokende- en alternatieve energiebron van de autobus, een in 1939 in de eigen carrosseriebouw-afdeling van de M.E.G.G.A. gebouwde Kromhout typeTB-417 met wagennummer 9 en kenteken H36632. Op de achtergrond de ‘Van Cappellenstichting’, het oude mannen-en vrouwenhuis (1898-1973) aan de Dorpsstraat dat sinds 2007 bekend staat als kantoorgebouw en cultureel-centrum ‘Van Cappellenhuis’.

Andere brandstof

Het verhaal achter deze foto begint eigenlijk op donderdag 16 mei 1940, een dag na de overgave van de Nederlandse troepen aan het Duitse leger. De Rijksverkeersinspectie komt dan met de mededeling dat ‘ingevolge een maatregel van het Departement voor Handel, Nijverheid en Scheepvaart, slechts vloeibare brandstof ter beschikking zal zijn in eerste instantie voor de Duitse autoriteiten en het strikt noodzakelijke voor de instandhouding van het economische leven’. Een en ander houdt in dat ook aan autobusondernemingen geen benzine of dieselolie meer zal worden verstrekt. Echter, zo maakt hetzelfde departement enkele dagen later bekend; wordt voor autobusdiensten ‘welker instandhouding voor ‘t oogenblik van vitaal belang wordt geacht’ ontheffing verleend. De directie van de ‘M.E.G.G.A.’ moet echter verbaasd vaststellen dat de door haar geëxploiteerde buslijn Capelle-Dorp, via Kralingseveer naar het Oostplein in Rotterdam op de lijst van ontheffingshouders niet voorkomt. Gelukkig wordt de lijst, nu aangevuld met de vermelding ‘N.V.M.E.G.G.A.: Capelle a.d. IJssel(Kerklaan)-Rotterdam’, enkele dagen later opnieuw gepubliceerd. Dit opnieuw met de restrictie dat -‘omdat import van ruwe olie en vloeibare brandstoffen overzee niet meer mogelijk is- vanwege de toenemende schaarste zo spoedig mogelijk op een andere brandstof moet worden overgegaan’.

Houtgas

Die andere brandstof wordt gevonden in houtgas, dat met behulp van een gasgenerator vrijkomt bij het verhitten van hout in een bijna zuurstofloze atmosfeer. Zo’n houtgasgenerator bestaat uit een grote metalen ketel, die gemonteerd op een platform aan de achterzijde van een voertuig of op een tweewielige aanhanger, welke zoals de foto laat zien achter de autobus wordt meegevoerd. Onder in de circa 1,5 meter hoge ketel met een diameter van ongeveer 60 centimeter bevindt zich de stookplaats, welke via de bovenzijde wordt gevuld met een hoeveelheid kleine, droge houtblokken die met behulp van een krant of een vluchtige stof in de brand worden gestoken. Door het onthouden van zuurstof komt er houtgas vrij, dat wordt afgevangen en via filters, een koeler en ge-mengd met zuurstof door een slang naar de verbrandingsmotor van de autobus wordt gevoerd.

Over op houtgas

Het wagenpark van de M.E.G.G.A., van wie de Duitsers al kort na het beging van de bezetting zes bussen vorderden (3 Internationals, 2 Büssings en een Renault), bestond aan het einde van 1940 nog uit slechts 5 inzetbare autobussen: 1 Büssing (met Kromhout motor) en 4 Kromhouts. Om met deze autobussen de lijndienst Capelle-Kralingseveer-Rotterdam te kunnen blijven rijden werden 4 Imbert houtgasgeneratoren aangeschaft. Drie daarvan werden op een ‘dolly’ gemonteerd om dienst te gaan doen achter de Kromhouts, de vierde werd vast aan de achterzijde van de Büssing gehangen. Om de vier voertuigen op tijd van voldoen de brandstof te kunnen voorzien werd in de garage aan de Alexanderstraat voortdurend hout op maat gehakt en een houtopslagplaats met drooginstallatie gerealiseerd. Daarnaast werden aan de eindpunten van de buslijn houtdepots ingericht. Ook op de bussen zelf werd een kleine voorraad houtblokjes meegevoerd, dit voor als de ketel eventueel onderweg moest worden bijgevuld. Het vullen en stoken van de generatoren betekende voor de chauffeurs veel extra en onaangenaam werk. Naast het gesjouw met het hout, moesten bijvoorbeeld ook filters worden gereinigd en asresten uit de ketel worden verwijderd en afgevoerd. Ook waren er geregeld startproblemen of moest, omdat de samenstelling van het geproduceerde gas varieerde, de carburateur onderweg steeds opnieuw worden afgesteld. Tijdens het rijden moest bovendien rekening worden gehouden met het feit dat de alternatieve brandstof er ook nog eens voor zorgde dat het vermogen van de motor van de bus zo’n20% minder was dan bij diesel of benzine. En dat wreekte zich vooral bij een overvolle en te zwaar beladen bus, een gevolg van het inkrimpen van de dienstregeling en een bij iedere rit te groot passagiersaanbod. Kortom, het rijden op houtgas was een lastig proces, dat van de chauffeurs naast rijden en plaatsbewijzen verkopen, speciale vaardigheden vroeg.

M.E.G.G.A. buschauffeur Jo Krijsman (Johannis, 1901-1963) met een zak houtblokken op één van de drie ‘dolly’s’ met houtgasgenerator van het busbedrijf. Uiterst links Kerklaan 4, de pastorie (1852-1967) van de Hervormde Dorpskerk. Foto: collectie mevr. L.C. van Vliet-Krijgsman.

Jan van Steenis en de M.E.G.G.A.

Het was, zoals hierboven reeds vermeld, buschauffeur Jan van Steenis (1902-1982) die op de foto de ketel van de houtgasgenerator vult. De in Alblasserdam geboren Van Steenis begon zijn loopbaan niet ‘op de bus’, maar als particulier chauffeur bij scheepsbouwer Jan Smit Czn. (1882-1948) van de ‘Ouwe Werf’ in Alblasserdam. Voor het verkrijgen van een rijbewijs had hij eerst ‘een rondje rond de kerk’ moeten rijden, waarbij er voor de burgemeester twee zaken belangrijk waren: de auto laten rijden en op tijd remmen. Na de periode bij Smit ging Jan aan de slag bij de ‘Eerste Krimpensche Autobus-Onderneming’ van de gebroeders J.H. en P. Kleinman uit Krimpen aan de Lek en G. Keesmaat uit Kinderdijk, welke onderneming sinds 30 augustus 1923 vice versa een dienst reed van Lekkerkerk via Krimpen aan de Lek naar Krimpen aan den IJssel.

Aanvankelijk hadden de gebroeders Kleinman samen met de Lekkerkerker B. de Roos een busbedrijf. Na verschillende conflicten scheiden hun wegen en gingen ze elkaar hevig beconcurrerend op hetzelfde traject voor zichzelf rijden, de ‘Kleimannen’ met de eerdergenoemde Keesmaat als nieuwe compagnon. In de strijd om de reiziger zaten de gebrouilleerde ondernemers elkaar regelmatig dwars, verschillende keren liep dat zelfs uit op een rechtszaak. Sinds 1923 reed ook de ‘M.E.G.G.A.’ op het traject van de twee kemphanen. Het ging om een zogenaamde ‘Postdienst’, tweemaal daags vice versa van het postkantoor in Lekkerkerk, via Krimpen aan de Lek, Krimpen aan den IJssel, het veer van Van der Ruit, Keeten en Kralingseveer naar het postkantoor aan de Coolsingel in Rotterdam. Dit op verzoek en voor rekening van de Posterijen. Naast de zakken met post mochten ook passagiers worden meegenomen. ‘De Roos’ en ‘Kleiman’, die zoals bekend elkaars bloed wel konden drinken, zullen hier echter geen last van hebben gehad. Slechts een enkele reiziger maakte gebruik van de ‘Postdienst’, die omdat ‘het Rijk’ het postcontract had opgezegd, op verzoek van de ‘M.E.G.G.A’ op 14 oktober 1929 werd opgeheven. Rond die zelfde datum trok Gedeputeerde Staten ook de vergunning in van Kleiman en De Roos, toevallig of niet gingen zij op dezelfde dag failliet. Volgens een zegsman ‘omdat er op het traject geen droog brood was te verdienen door één, laat staan twee ondernemers’.

Ongeveer een jaar voor de faillietverklaring van ‘Kleiman’ trad Jan van Steenis in dienst van de M.E.G.G.A.. Dit mag worden aangenomen omdat hij op 10 oktober 1928, komende van Alblasserdam, werd ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Capelle aan den IJssel op het adres Vondelstraat 6a (thans Elandstraat 6, Rotterdam) in het uitbreidingsplan Capelle-West I, het huidige Kralingseveer dat tot 1 augustus 1941 tot het grondgebied van Capelle aan de IJssel behoorde. De door Kees Ravestijn (Cornelis 1887-1955) en zijn zwager Jacob Kooger (1884-1942) opgerichte M.E.G.G.A. was sinds 19 december 1921 gevestigd in Capelle -aanvankelijk op Dorpsstraat 52, vanaf oktober 1925 aan Alexanderstraat 2 en 4 – en reed vanaf 26 november in het zelfde jaar de lijndienst tussen Capelle Dorp en het Oostplein in Rotterdam. Jan van Steenis had al snel zijn draai gevonden bij het busbedrijf dat in de periode van zijn indiensttreding 5 nieuwe autobussen in gebruik nam. Rijden deed hij overigens niet alleen op de lijndiensten, ook bij dagtochten naar populaire toeristische plaatsen en uitstapjes van verenigingen zat hij geregeld achter het stuur. Daarnaast stond hij ook in de werkplaats zijn mannetje. Op woensdag 7 mei 1930 trouwde Jan van Steenis in haar geboorteplaats Krimpen aan de Lek met Letta Slingerland (Aletta Bastiaantje, 1906-1994). Het jonge paar vestigde zich in januari 1931 vervolgens aan Mauritstraat 4, het tweede huis van een toen splinternieuw blokje van zes, dat in opdracht van scheepsbouwersbaas Jacob Hagendijk (1880-1975) werd gebouwd door de Capelse aannemer Wim Stam (Willem, 1903-1984). Daar werden ook beide dochters geboren, Bets in 1933 en Corrie in 1947.

Per 15 mei 1942 liep de concessie van de M.E.G.G.A. voor de buslijn van Capelle-Dorp via Kralingseveer naar het Oostplein in Rotterdam af. Onderhandelingen voor een nieuwe vergunning liepen op niets uit, waarna deze onderdruk van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de immer dominante gemeente Rotterdam halverwege maart 1942 werd overgeschreven naar de Rotterdamse Elektrische Tram NV(RET). De RET kocht tegelijkertijd de M.E.G.G.A.-garage aan de Alexanderstraat en de zes overgebleven autobussen: 1 Büssing (met Kromhout motor) en 5 Kromhouts, waarvan er één nog in aanbouw was en pas na de oorlog op de weg zou komen. Onder de Kromhouts, de autobus van ‘dit verhaal’, die bij de RET onderwagen nummer 24 en met kenteken HZ-69135 tot 1949 in dienst zou blijven. De RET nam ook vrijwel al het M.E.G.G.A.-personeel over. Onder hen Dirk Schaap (1912-1985, de schoonzoon van M.E.G.G.A-oprichter Kees Ravestijn en getrouwd met zijn oudste dochter Go (Gozina Cornelia Gerardina, 1913-1990), die bij de RET aan de slag ging als hoofd van de afdeling (bus)vervoer. Ook Jan van Steenis trad in dienst van het Rotterdamse vervoersbedrijf. Vanaf 1 mei 1942 werd het traject Capelle-Dorp via Kralingseveer naar Rotterdam-Oostplein geëxploiteerd door de RET.

De in oktober 1925 in gebruik genomen woning, kantoor en garage van de M.E.G.G.A. aan de Alexanderstraat 2 en 4 in Capelle aan den IJssel

Dit onder de lijnaanduiding E en voorlopig opererend vanuit de dan voormalige M.E.G.G.A.-garage aan de Alexanderstraat. Na het gereedkomen van een nieuwe autobusgarage in april 1947 aan de Sluisjesdijk in Rotterdam-Charlois, werd de garage aan de Alexanderstraat afgestoten en personeel en materieel overgeplaatst naar de nieuwe basis op Zuid. VanSteenis ging daar, nadat hij vanwege problemen met zijn gehoor was afgekeurd als chauffeur, aan de slag als 1emonteur, om in 1960 te worden overgeplaatst naar de nieuwe Centrale Werkplaats van de RET aan de Kleiweg in Rotterdam-Hillegersberg, gevestigd in de voormalige bedrijfsgebouwen van ‘Allan & Co’s Koninklijke Fabrieken van Meubelen en Spoorwegmaterieel. Daar werkte Jan tot aan zijn pensionering, de sfeer en het werkplezier bij de RET benaderde echter voor hem nooit meer het niveau van het familiebedrijf M.E.G.G.A.

Chauffeurs van de M.E.G.G.A. die poseren voor 2 autobussen van het bedrijf (eenInternational en een Renault) tijdens een reisje met de afdeling Rotterdam van de ‘Vereeniging van Arbeiders Radio Amateurs’ (VARA). V.l.n.r. Kees Slingerland (Cornelis, 1904-1980), Jan van Steenis (1902-1982), Rien van de Windt (Marien Johan, 1899-1980) en Kees Burger, zittend, Janus Maaskant (Adrianus, 1894-1960). Foto: collectie E. Koen-van Steenis, met dank aan Cees Hartmans voor het bijwerken.