RTM Wegvervoer 1923-1928

3. DE EERSTE BUSLIJNEN 
Net als alle andere vervoerbedrijven die trein-, tram- en bootdiensten exploiteerden, zag de RTM in de jaren 1922-1923 de nieuwe gevaarlijke concurrent: de autobus in haar vervoergebied binnendringen. De RTM had door de geografische gesteldheid van haar vervoergebied bovendien al veel last van concurrerende bootdiensten. De directeur van de RTM besloot al spoedig de concurrentie met hetzelfde vervoermiddel te gaan bestrijden en reeds in 1923 opende de RTM een drietal autobuslijnen. Ze waren bedoeld als aanvoerlijnen voor de tramdiensten en gaven dorpen, die tot dan toe geen directe verbinding met Rotterdam hadden, aansluiting op tramstations.

Als eerste lijn kwam tot stand de verbinding Goidschalxoord~Heinenoord~Blaakschedijk en wel op 18 juli 1923. De busdiensten van de autobusonderneming “De Hoeksche Waard” uit Oud Beijerland, die naar de Groote Markt in Rotterdam reden hadden er namelijk voor gezorgd dat de RTM uit Goidschalxoord en Heinenoord geen reizigers meer kreeg: deze mensen moesten altijd eerst een eind lopen om bij een RTM-halte te komen. Op 15 september 1923 volgde de tweede lijn van de RTM: Westmaas~Mijnsheerenland~Blaakschedijk. Op 30 november 1923 werd de derde busdienst, welke de plaatsen Middelharnis Dorp~Stad aan het Haringvliet~Den Bommel een verbinding gaf. Alle genoemde diensten werden 5x daags gereden.

Al vrij gauw werd de RTM (of misschien alleen haar directeur, ir. A.J. Kuiper) bij een andere busdienst geïnteresseerd, namelijk de buslijn Oud Beijerland~Rotterdam van W. Visser Azn., gevestigd aan de Oostdijk te Oud Beijerland. Deze W. Visser Azn. was eerst directeur van de busonderneming “De Hoeksche Waard”. Hij ging na een conflict met de aandeelhouders van dit bedrijf voor zichzelf beginnen, maar wilde geen al te grote risico’s lopen. Hij zocht en verkreeg samenwerking door deelname van ir. A.J. Kuiper.
Bij Jac. Met in Alkmaar werden twee Fordbussen besteld en ter beschikking van W. Visser Azn. gesteld om de concurrent van de RTM, “De Hoeksche Waard”, er onder te krijgen, wat ook gelukte. Nog jaren later gaf Jac. Met als referentieadres voor zijn carrosserieën de RTM als afnemer op.
Behalve met de vele concurrerende bootdiensten kreeg de RTM in deze jaren ook te maken met zeer veel wegvervoerbedrijven die allemaal hun best deden om een bloeiend bedrijf op te bouwen.

De RTM vocht voor wat ze kon, ze opende, zoals we reeds zagen, eigen busdiensten en probeerde ook andere busdiensten over te nemen, wat haar ook wel lukte. In het jaarverslag over 1923 schrijft de RTM: “Zoals uit het verslag van den directeur blijkt, werd het dit jaar in verband met de grote concurrentie ons door auto-omnibusdiensten aangedaan, noodig onze vervoermiddelen uit te breiden met auto-omnibusdiensten, waarvan de exploitatieresultaten aan de verwachtingen beantwoordden.”

4. DE NEDERLANDSCHE AUTOBUS MAATSCHAPPIJ (NAM)
Eigenlijk werden de busdiensten van de RTM de eerste jaren gereden met “huurwagens”.
De bussen werden gehuurd van de Nederlandsche Autobus Maatschappij (NAM), gevestigd te Rotterdam. De oprichters van deze NAM waren de heren ir. A.J. Kuiper te Rotterdam en jonkheer ir. J. Roëll te Loosduinen, respectievelijk
directeur van de RTM en de WSM (Westlandsche Stoomtramweg Maatschappij), waarbij nooit geheel duidelijk is geworden of deze heren alléén de eigenaars van de NAM waren of dat de RTM en de WSM ook in het kapitaal van
de NAM deelnamen. De NAM was gevestigd aan de Maaskade 154 te Rotterdam, het adres van ir. A.J. Kuiper. Sinds 4 maart 1941 kreeg de NAM een nieuw adres: Rosestraat 3 te Rotterdam, het hoofdkantoor van de RTM!
Verder had de NAM twee bijkantoren, respectievelijk gevestigd aan de Emmastraat 98 te Loosduinen (WSM) en de Beersterweg 18 te Winschoten (Tramweg Mij. “Oldambt~Pekela” = OP). Hieruit blijkt dat de heren Kuiper, Roëll
en A. Wieling (directeur OP) aandeelhouder waren. Mogelijk is dat de RTM, WSM en OP naast deze heren ook wat met de NAM te maken hadden en wellicht nog enkele tramwegbedrijven of hun directeuren.

Een plaatsbewijs van de Nederlandsche Autobus Maatschappij.
Een plaatsbewijs van de Nederlandsche Autobus Maatschappij.

Hoe één en ander in de verhouding tussen NAM en RTM zich heeft afgespeeld, is zeker nu niet meer te achterhalen. Feit is dat de acht Mercedes-Daimler autobussen met carrosserieën van Lange und Gutzeit, die op de eerder genoemde
drie aanvoerlijnen van de RTM dienst gingen doen en de RTM-nummers 51 – 58 kregen, voor een deel ook gebruikt zijn onder deze nummers op de buslijn Dedemsvaart-Zwolle van de Dedemsvaartsche Stoomtramweg-Maatschappij
(DSM). Na enige tijd werden deze NAM-bussen op die lijn vervangen door de eerste vier bussen die de DSM zelf aanschafte, wagens van het merk De Dion Bouton.
Ook de RTM en de WSM kochten in die tijd respectievelijk drie en vier bussen van dit merk, al of niet via de NAM. Later kochten zowel de RTM als de WSM voornamelijk bussen van het merk Benz of Mercedes-Benz.

De NAM werd per 23 september 1923 officieel opgericht. Echter vóór die datum deed dit bedrijf reeds zaken. In het begin van 1923 kocht de Zuider Stoomtramweg Maatschappij (ZSM) te Breda een drietal T-Fordjes bij de NAM, terwijl ze er ook één huurde.
Wat de NAM in de loop van de jaren precies gedaan heeft is nogal duister, evenals de betrokkenheid bij allerlei zaken van de RTM-directeur, ir. A.J. Kuiper. Van 23 september 1923 tot 4 maart 1941 was ir. A.J. Kuiper de enige directeur van de NAM. Sinds dat tijdstip werd ook jonkheer ir. J. Roëll directeur. De NAM had een kapitaal van fl. 75.000,–, waarvan geplaatst en volgestort werd fl. 15.000,–; dit is nooit gewijzigd. Commissarissen heeft de NAM nooit gehad, ook niet nadat het bedrijf per 1 mei 1939 een naamloze vennootschap was geworden, waarbij tevens de doelstelling werd uitgebreid.

Was dit eerst de uitoefening van een vervoerbedrijf van personen en goederen, in 1939 werd dit aangevuld met exploitatie van garages, verhuur van materiaal, handel in en financiering van automateriaal, handel in benzine, oliën en vetten. Op de wagenparkkaarten van de in 1939 aangeschafte RTM-bussen kwam ook weer de aanduiding NAM voor, zodat het mogelijk is dat er zelfs toen nog bepaalde belangen van de NAM in het busmateriaal van de RTM waren. De genoemde wagenparkkaarten bevonden zich destijds in het magazijn van de Centrale Werkplaats van de RTM aan de Kromme Zandweg te Rotterdam.

Gedurende de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog stond de NAM onder beheer van het Nederlandse beheersinstituut, wegens bepaalde activiteiten gedurende de oorlogsjaren. Als bestuurders werden aangewezen dr. H.J. van Zuylen en ir. D. de Iongh. Met ingang van 17 mei 1949 werd het beheer opgeheven en werd ir. A.J. Kuiper weer directeur van de NAM. Echter niet voor lang, want per 31 december 1949 werden de activiteiten van de NAM beëindigd. Officieel werd de NAM op 1 januari 1962 ontbonden, waarbij de heer A. Wieling uit Winschoten optrad als vereffenaar.

5. OVERNAME VAN BEDRIJVEN 
Een volgend stadium in de strijd van de RTM met haar concurrenten was de overname van enkele autobusbedrijven.
Op 11 september 1925 kocht de RTM het bedrijf van C. Rietdijk te Poortugaal & G. Schouten te Rhoon, die respectievelijk kruidenier en slager waren en daarnaast gezamenlijk een goed lopende autobusdienst op het traject Poortugaal~Maasoord~Rhoon~Charlois~Rotterdam (Groote Markt) hadden. De in gebruik zijnde bussen (vier T-Fords en een Hansa-Lloyd) werden bij de RTM ingeleverd.
Alleen de Hansa-Lloyd bleef in dienst en werd later nog in het wagenpark van de RTM opgenomen.
Op 28 juni 1926 kocht de RTM van M. Speelman te Pernis de C.V. Pernissche Autobusdienst, die het traject Pernis~Heyplaat~Charlois~Rotterdam (Groote Markt) reed. Oorspronkelijk had deze dienst de Coolsingel te Rotterdam als eindpunt, maar hij was al heel gauw naar de Groote Markt verhuisd, waar veel interlokale busdiensten hun standplaats hadden.

Volgens de vergunningen van de Gemeente Rotterdam had Speelman in maart 1924 vier T-Fordjes in dienst, in november 1925 waren dat 1 Vermorel (16 personen); een 18 persoons Berliet en een 16 persoons Hansa Lloyd. Voor de over-
name door de RTM werd het wagenpark aangevuld met een Daag en een Unic. Vermorel is een tamelijk onbekend merk, maar de Pernisse garagehouder Van Steenhoven, die monteur bij Speelman was geweest, verzekerde dat die wagen
inderdaad van dat merk was. De Vermorel werd gebouwd door een Franse fabriek, die van 1908 tot 1932 auto’s heeft gebouwd.
Welke wagens nu bij de overname door de RTM betrokken waren is me niet bekend, maar de DAAG en de Unic kregen in ieder geval nog RTM-wagenparknummers. In de Pernissche Autobusdienst was de schoonvader van Speelman, de heer Schalekamp, die een groot schildersbedrijf had, de grootste aandeelhouder.

De derde concurrent op de lijnen tussen Rotterdam, Poortugaal en Pernis raakte de RTM op een geheel andere manier kwijt. Bij de vergunningverlening in 1927 werden namelijk geen vergunningen verleend voor de aangevraagde trajecten Rotterdam~Heyplaat~Pernis, Rotterdam~Heyplaat~Poortugaal en Rotterdam~Rhoon~Poortugaal. De beide laatste lijnen werden toen de aanvragen in zee gingen nog gereden door de “Autodienst Radio” van H. Mourik te Poortugaal, de Pernisse lijn was slechts kort als proef gereden en was nu opnieuw aangevraagd.

De “Autodienst Radio” was de opvolger van de “Autodienst Maasoord” van C. Laban en H. Mourik te Poortugaal die met een tweetal T-Fords op Rotterdam reden, maar wegens voortdurende onenigheid uit elkaar waren gegaan. H. Mourik ging alleen verder, maar zijn bestaande vergunning werd in december 1926 ingetrokken. In maart 1927 was Mourik ook nog failliet verklaard; redenen voor Gedeputeerde Staten om geen vergunning meer te geven.
Waar zijn bussen (twee 24 persoons Minerva’s en een 18 persoons Dürkopp) gebleven zijn is me niet bekend. Mourik vertelde mij indertijd dat tenminste één, maar mogelijk twee Minerva’s waren verkocht aan autobusbedrijf De Visser te Dordrecht. Het intrekken van de vergunning had als reden gehad dat door financiële moeilijkheden er enkele onderbrekingen in de dienstuitvoering waren geweest en dat de beide routes niet altijd gelijkmatig werden bereden, waardoor het voorkwam dat passagiers bleven staan, die dan weer moesten wachten tot de bus van de RTM of de bus van Speelman langskwam. Mourik beperkte zich van toen af weer tot zijn oorspronkelijke vak en is zijn gehele leven rijwielhersteller/handelaar geweest.

Een wel heel bijzondere aankoop van de RTM was de overname van de aandelen van de n.v. “Autobusdienst Luxe” per 28 mei 1925. Dit bedrijf exploiteerde een stadsautobusdienst tussen de Rietdijk in Charlois en de Diergaardelaan in
het centrum van Rotterdam. Op 20 juni 1923 had J. Krikke een standplaatsvergunning voor deze dienst verkregen, terwijl deze vergunning op 28 september 1923 op de n.v. “Luxe” werd overgeschreven.
De RTM zocht het – volgens het jaarverslag van 1925 – niet zozeer in het hebben van een stadsdienst in Rotterdam, maar wilde de toen nodige standplaatsen hebben en zag in de overname van de “Luxe” van J. Krikke een middel om aan
dergelijke standplaatsen te komen. In de praktijk heeft de RTM niets met deze standplaatsen gedaan; eigenlijk is het allemaal een beetje duister wat de werkelijke bedoelingen van ir. A.J. Kuiper met deze aankoop zijn geweest.

Op het moment van de aankoop werd de dienst niet uitgeoefend. Het personeel van Krikke staakte nl. om salariseisen, maar vooral omdat de bussen zeer slecht onderhouden zouden worden en daarom gevaarlijk zouden zijn. Volgens krantenberichten zouden de “Luxe”-bussen na een totale revisie weer in dienst komen en de exploitaite worden hervat, wat dus door de RTM gebeurde.
In werkelijkheid hebben drie Renaults en één Horch van de “Luxe” nog even dienst gedaan. De andere Horch-bus heeft bij de RTM geen dienst meer gedaan en is, evenals de andere wagens, in 1925 of 1926 verkocht. De RTM stelde op de
Luxe-lijn zes nieuwe Benz-bussen met 28-persoons fabriekscarrosserieën in dienst. De wagens kregen – aansluitend aan de bestaande Luxe-wagens – de nummers 6-11, later werden dat de RTM 1-6.
Eens per uur, althans gedurende de zomerdienstregeling 1927 en dat op een gedeelte van de dag, reden deze Luxe-bussen van de Rietdijk door naar het vliegveld “Waalhaven”; achter de voorruit en achter twee zijruiten droegen de bussen dan borden met opschrift: “Rijdt door naar Vliegveld”.

Men zou denken dat het de RTM ernst was met deze stadsdienst, maar per 1 januari 1927 verkocht de RTM de aandelen van de “Luxe” weer, de bussen bleven echter in eigendom van de RTM. De nieuwe eigenaar van de “Luxe”, de heer
Kleinjan, beschikte zelf over busmateriaal. Kleinjan vertelde me dat hij slechts met grote moeite het geld voor overname van de dienst bij elkaar kon krijgen en geen geld had om de zes zware Benzbussen te kopen.
De heer Kleinjan was tot dan toe mede-eigenaar geweest van de stadsautobusdienst Brugman & Kleinjan (B & K), maar in mei 1928 werd de vergunning overgeschreven op naam van D. Brugman alleen.

Per 1 augustus 1929 werd ook de vergunning van de “Luxe” ingetrokken, zoals dat met alle particuliere stadsdiensten in Rotterdam in die tijd gebeurde, maar Kleinjan bleef autobusondernemer. Begin 1931 werd onder de naam “Luxe” maar dan met de aandeelhouders A. Kleinjan en C. Hartkoorn een buslijn Rotterdam~Schiedam gestart. De vergunning voor deze lijn, eerst gereden door D. van Leeuwen (Eerste Schiedamsche Auto-Omnibusdienst) te Schiedam en door Gebroeders Jan en Jacob Korpel te Schiedam, welke ondernemers op 3 juni 1930 hun vergunning kwijtraakten omdat ze op dat moment hun dienst niet reden wegens faillissementen, was een vaak omstreden vergunning.
Beide ondernemingen hadden hun vergunningen al eens uitgeleend aan de Nederlandsche Brockway-Bus Maatschappij te Amsterdam, die onder de naam “Schiedamsche Brockway-Bus Mij.” deze diensten heeft gereden, maar weer spoedig verdween.

Plaatsbewijzen van autodienst Luxe en de Zwijndrechtse Autobus Onderneming.
Plaatsbewijzen van autodienst Luxe en de Zwijndrechtse Autobus Onderneming.

Na intrekking van de vergunningen volgde een lange juridische strijd over de vraag of een vergunning al of niet met een faillissement verloren ging. Toen die strijd in hun voordeel beslist was, gingen Kleinjan en Hartkoorn er flink tegenaan en probeerden van de nieuwe Luxe-dienst echt iets te maken. Hartkoorn had nog busmateriaal uit de tijd dat hij onder de naam “Jacatra” een stadsdienst had en Kleinjan bracht ook zijn materiaal in, zodat er al gauw enkele bussen beschikbaar waren, waaronder een Somua, ook geen alledaags merk. Er werd een viertal nieuwe bussen besteld, Stewarts, die de carrossier Visser uit Leeuwarden voor een spotprijs van een carrosserie voorzag. Ze behoorden tot de eerste bussen die Visser bouwde en hij moest er in komen, aldus Kleinjan.

Zwijndrechtsche Autobus Onderneming
Zowel van de Stewarts als van de Visser-carrosserieën heeft de “Luxe” veel spijt gehad. Niet dat Stewart niet goed zou zijn, maar de aangekochte en door de importeur geadviseerde chassis en motoren waren erg licht voor een drukke
stadsdienst tussen Rotterdam en Schiedam en ook de Visser-carrosserieën vertoonden lastige kinderziekten, waardoor de wagens nogal eens buiten dienst waren. De “Luxe” deed het in die crisisjaren dus niet zo goed en in oktober 1934 kocht de RET de lijn op. De bussen werden afgevoerd, waarna de naam “Luxe” verdween.
Ook de RTM zal met de “Luxe” in de korte tijd dat zij eigenaresse was niet veel verdiend hebben, want de concurrentie op het traject Rotterdam~Charlois naar de binnenstad van Rotterdam was erg groot en van Katendrecht en Hillesluis was het nog erger. Wellicht is dit dan ook de reden geweest waarom de RTM het bedrijf “Luxe” weer spoedig afstootte.

Bus 54 van de RTM in Den Bommel, ca. 1923/1924
Bus 54 van de RTM in Den Bommel, ca. 1923/1924

6. 1927, HET JAAR VAN DE AUTOBUSVERGUNNINGEN 
Toen in 1926 de nieuwe Wet op de Autobusdiensten van kracht werd, moesten alle bedrijven bij de Provinciale Staten vergunning aanvragen tot het instandhouden van bestaande autobusdiensten of tot het in werking brengen van nieuwe
lijnen.
De RTM weerde zich duchtig, ze vroeg en kreeg vergunning voor de reeds bestaande diensten. Daarnaast vroeg ze vergunning aan tot het in werking brengen van autobuslijnen op de volgende, tot nu toe niet geëxploiteerde trajecten:
a: Rotterdam~Rijsoord~Zwijndrecht
b: Rotterdam~Blaaksedijk~Oud Beijerland
c: Zuid Beijerland~Klaaswaal (over 2 verschillende trajecten)
d: Bruinisse~Zierikzee
e: Dreischor~Zierikzee
f: Burgh~Zierikzee.
Het bleek dat Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de RTM heel wat gunstiger gezind waren dan die van Zeeland, want de drie eerstgenoemde trajecten kreeg de RTM prompt toegewezen, de drie laatste niet.De RTM ging in beroep
tegen alle vergunningen die aan andere bedrijven in haar vervoergebied werden toegewezen, maar daar had ze weinig succes mee. De eenmaal aan particulieren toegewezen trajecten (vrijwel uitsluitend trajecten die deze ondernemers reeds vóór 1926 bedienden) bleven, ook in beroep, aan deze bedrijven toegewezen.

De RTM heeft, zolang Gedeputeerde Staten vergunning toe moesten wijzen, altijd tegen elke vergunning, die werd verleend binnen haar gebied en aan de rand van dat gebied, bezwaar aangetekend. Veel succes heeft ze hierbij nooit
gehad: vrijwel alle vergunningen die aan anderen waren verleend, bleven, ook in beroep, bij de oorspronkelijke vergunninghouders.

 

Geef een reactie