Verheul – de geschiedenis van een bouwer

Met medewerking van Dick-Jan Thuis kunnen wij onderstaande geschiedschrijving plaatsen, welke eerder is gepubliceerd door de werkgroep Brandweerhistorie van het NBDC door Adriaan Kriek

De NV Auto-Industrie Verheul was een Nederlandse constructeur van autobussen en vrachtwagens. Maar ook van brandweer-, politie- en ziekenwagens. In dit artikel wordt ook deze minder bekende kant belicht van carrosseriebedrijf Verheul, die toch een aantal fraaie carrosserieën bouwde voor de diverse hulpdiensten. Maar eerst even een stuk geschiedenis van Verheul.

15 april 1900 is de dag dat de 23-jarige Dirk Verheul start als zelfstandig wagenmaker in een kleine werkplaats aan de Dorpsstraat te Waddinxveen, waar de voormalige dorpswagenmaker A. Littooy zijn bedrijf had.

Littooy was begin dat jaar overleden, zodoende konden werkplaats en woning worden gehuurd van de weduwe. In dat zelfde jaar trad Verheul ook in het huwelijk, uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren: drie dochters en twee zonen. Hij neemt de fabricage op zich van onder andere rijtuigen en kaasbrikken.

Nadat hij in 1910 met zijn inzending de tweede prijs op de landbouwtentoonstelling te Moordrecht behaalt, stromen de opdrachten binnen, waardoor uitbreiding van de werkplaats noodzakelijk is. Rond de jaren twintig van de vorige eeuw verdrijft de auto het rijtuig en de autobus doet zijn intrede als openbaar vervoermiddel. Het bedrijf Verheul schakelt met succes geleidelijk over naar de carrosseriebouw en in 1920 werd de eerste autobuscarrosserie gebouwd. Door deze ontwikkeling groeit het bedrijf naar 84 arbeidsplaatsen in 1931. Op 17 augustus 1924 kwam de oudste zoon Jan Verheul in het bedrijf. Deze had in verschillende plaatsen in binnen- en buitenland zijn opleiding voltooid met specialisatie in de carrosseriebouw van autobussen en bestelwagens. In maart 1930 werd de zaak omgezet in een naamloze vennootschap. Voor de hoeveelheid werk was de werkruimte veel te klein geworden en in 1927 werd grond aangekocht voor de noodzakelijke uitbreiding, bij de oostelijke oprit naar de hefbrug in Waddinxveen. Op 27 mei 1931 trad ook de tweede zoon H. Verheul toe als adjunct-directeur. Gaandeweg beschikt de carrosseriebouwer weer over onvoldoende fabrieksruimte.

Op 13 oktober 1938 wordt een hal gebouwd voor de Rotterdamse tentoonstelling ‘Nenijto’ die door Verheul wordt gekocht en naar een terrein in Waddinxveen, gelegen aan de nieuwe verkeersweg Den Haag-Rotterdam-Utrecht, overgebracht en opgebouwd. Daar ontstaan productiehallen van in totaal zo’n 2500 m2 en moest er nog een loods bij worden gehuurd van 1000 m2. Deze fabriekshal werd in 1941 door de Duitse bezetters voor opslag van militair materieel gebruikt. Een geplande nieuwe fabriek aan de Henegouwerweg in Waddinxveen langs de Rijksweg A12 kon door de oorlogsomstandigheden pas na 1945 in gebruik genomen worden. Dit complex stond bekend als fabriek A en diende voor de bouw van grote autobusseries. De oorspronkelijke vestiging aan de Kleikade in Waddinxveen heette voortaan fabriek B en werd ingeschakeld voor de bouw van kleinere aantallen autobussen.

Omdat Verheul in de jaren vijftig een grote order kreeg van bussen voor het stads- en streekvervoer werd op 25 november 1955 in Apeldoorn een nieuwe fabriek C geopend die echter niet lang heeft bestaan en al op 1 november 1962 werd gesloten. Verheul besloot in het begin van de jaren vijftig als een van de eersten in ons land een bedrijfsschool op te richten om zo goed personeel op te leiden. In die periode was Verheul uitgegroeid tot een bedrijf met 500 werknemers. Er reden Verheul bussen over de gehele wereld: in Zuid-Amerika, Noord-Afrika en Saudi-Arabië maar eind jaren vijftig kwam de klad er in, de busmarkt raakte verzadigd. Verheul besloot daarom maar zijn markt te verruimen en in 1958 werd de bedrijfsautoproductie van Kromhout in Apeldoorn overgenomen.

Gebaseerd op de bestaande Kromhoutconstructie en uitgevoerd met motoren van deze fabriek, ontwikkelde Verheul een geheel nieuw uiterlijk. De eerste Verheul bedrijfsauto’s kwamen in 1959 op de weg, ter gelegenheid waarvan de naam van de onderneming werd gewijzigd in NV Auto-Industrie Verheul. Maar dat was geen lang leven beschoren. We zijn carrosseriebouwers, geen autobouwers, was de eigen constatering. Na dat avontuur verkocht C. Verheul zijn aandelen aan AEC, dat korte tijd later zelf werd overgenomen door concurrent Leyland. Een grote uitslaande brand op 9 december 1970 verwoestte het complex. De brandweer, die op het hoogtepunt van de brand met zestig stralen en twee waterkanonnen bezig was en meer dan vier miljoen liter water uit de Gouwe op de vlammen uitstortte, kon vrijwel niets redden. De brand markeerde het definitieve einde van een succesvol familiebedrijf.


De fabriek werd herbouwd en werd de hoofdvestiging van British-Leyland. Het fungeerde onder andere als depot van in het Verenigd Koninkrijk gebouwde legervoertuigen van Land-Rover. De productie van de standaard bussen ging over naar Den Oudsten in Woerden. In de jaren tachtig was het afgelopen met British-Leyland in Gouda. In het complex vestigde zich Engelvaart Bodywear.

Veel brandweervoertuigen heeft Verheul niet gebouwd. Eind jaren zestig was er een samenwerkingsverband met de firma Bikkers uit Rotterdam; men heeft tot het eind van de firma Verheul in 1970 een tiental brandweerwagens opgebouwd voor de firma Bikkers. Ook werden er diverse zeer fraaie ziekenwagens gebouwd. In 1926 bouwde men al een ziekenwagen voor de Vereniging voor Ziekenhuisverpleging `NOSOKOMOS’ uit Schoonhoven op een Ford TT chassis. In de jaren vijftig had men niet alleen een groot gebrek aan stadsbussen, ook ziekenwagens waren hard nodig. Zo bouwde Verheul in die periode een groot aantal ziekenwagens. Onder andere een Packard Patrician voor de gemeente Vlaardingen. Niet te vergeten zijn enkele politievoertuigen die in Waddinxveen zijn gebouwd, onder andere een Packard voor de gemeente Delft en een Ford Thames voor de gemeente Enschede. Wat minder bekend zijn de door Verheul gebouwde carrosserieën voor personenwagens op diverse bestaande chassis, hoofdzakelijk waren het twoseater sportwagens.

(geraadpleegde literatuur: 50 Jaar Verheul 1900-1950)

De bij dit artikel behorende foto’s;